Het Koerdische dilemma en de plannen van Trump

maandag, 9 maart 2026 (09:08) - Joop

In dit artikel:

De auteur schetst een beeld van de huidige oorlog rond Iran als een machtsspel waarin harde ideologieën en kanselijkheid samenkomen: staten als Rusland, China en Turkije, plus hun regionale proxy’s, handelen pragmatisch en profiteren van een wereldorde waarvan de klassieke instituties (zoals de VN) volgens hem aan gezag hebben ingeboet. Tegelijk wordt internationaal recht selectief gehanteerd door landen die nostalgisch zijn naar de oude regels maar zelf meedelen van de nieuwe realiteit.

Historische lessons worden gebruikt om het hedendaagse beleid te duiden: grootschalige bombardementen in de Tweede Wereldoorlog en jarenlange sancties tegen Irak (waarop eerst economische druk volgde) hebben geen directe regimewisseling bewerkstelligd — uiteindelijk waren invasies en grondoorlog beslissend. Dat patroon verklaart volgens de auteur ook waarom sommige grote spelers terughoudend zijn om hun eigen legers in te zetten tegen Iran.

De schrijver belicht de lange en vaak beschadigende relatie tussen Groot-Brittannië en de Koerden. Irak was Brits koloniaal bezit en Britse beleidskeuzes onderdrukten Koerdische vrijheidsbewegingen — met als voorbeeld de RAF-bombardementen op Suleimany (de stad van de auteur) en steun aan reactionaire stammen. Die historische bedenkingen vormen de achtergrond voor kritiek op recente westerse politiek: de VS en het VK zouden Rojava en de Syrische Koerden hebben verraden door deals te sluiten die in de praktijk ISIS en geopolitieke belangen bevoordelen, met als verborgen motief het frustreren van Turkse plannen om China via een deel van de Nieuwe Zijderoute toegang te geven tot regionale energiebronnen. Frankrijk wordt genoemd als opportunistische deelnemer met neokoloniale ambities.

De tekst herinnert aan de korte periode van westerse steun in 1974–1975 aan de Koerdische revolte, die uiteindelijk strandde na het Algiers-akkoord tussen de sjah en Saddam op 6 mei 1975. Die breuk leidde tot massale verdrijving en gevangenschap van Iraakse Koerden en later tot de Anfal-campagnes, waarbij tienduizenden omkwamen. Die geschiedenis voedt het wantrouwen van Koerden tegenover grote mogendheden.

Wat de huidige machtsverhoudingen betreft, erkent de auteur dat Iran zware verliezen heeft geleden, maar ziet hij het regime vechten om te overleven en bereid concessies te doen. President Trump gebruikt het conflict deels als drukmiddel richting China en Rusland, maar is niet geneigd Amerikaanse grondtroepen te sturen; ideeën om Iraanse Koerden te steunen worden afgewisseld met terughoudendheid. De conclusie is dat de Koerden door de geschiedenis wijzer zijn geworden en niet opnieuw in externe valkuilen zullen trappen — hun ervaring heeft hen geleerd om vooral op hun eigen mogelijkheden (de ‘bergen’) te vertrouwen.